Tong proeft



Alle dingen die we in onze mond steken, hebben een bepaalde smaak. Of iemand etenswaren lekker vindt, hangt af van de smaak van dat eten.
Er zijn vier basissmaken die we kunnen waarnemen:
1.      Zuur
2.      Zoet
3.      Zout
4.      Bitter

Afhankelijk van sommige bronnen is hartig ook nog een extra smaak, maar dit wordt niet altijd als basissmaak erkend. Deze smaak wordt ook umami genoemd (Japans woord dat hartig of heerlijkheid betekent).

Deze smaken vormen echter maar een klein deel van onze smaak.
Een andere factor die meespeelt, is het reukvermogen waarover jullie meer kunnen lezen op een ander deel van deze blog. Zo zal iemand met een verstopte neus veel minder smaak beleven aan zijn eten en zal je zeer pikante, zure, zoute of bittere zaken beter kunnen eten wanneer je je neus dichtknijpt.

Nog een factor die bepalend is voor de smaakbeleving is de textuur van het voedsel. De tastzin speelt hierin een grote rol.
Zo zullen zeer harde of wakke etenswaren als minder lekker worden bestempeld.
Tenslotte spelen ook het visuele aspect en ons humeur nog een rol in hoe lekker we iets zullen vinden.

Onze smaak bestaat dus uit meerdere smaken, waaronder de primaire smaken (smaken die we waarnemen met onze tong) en de secundaire smaken (ook wel neussmaken genoemd).

Opdracht :       
Bekijk je tong in de spiegel van op afstand. Ze lijkt op het eerste zicht vlak.
Bekijk ze nu van dichterbij. Je kan zien dat het oppervlak van onze tong bobbelig is.

Deze talrijke “bobbeltjes” noemen we de smaakpapillen van onze tong. Het zijn deze smaakpapillen die ervoor zorgen dat we kunnen smaken EN dat we de verschillende smaken kunnen waarnemen.
Elke van de vele smaakpapillen op onze tong kan één van de vijf smaken onderscheiden. Ze liggen ook gegroepeerd in verschillende zones.

Smaakpapillen komen ook voor in het verhemelte en op sommige andere plekken in de mond- en keelholte.
De smaakpapillen zijn elk opgebouwd uit meerdere smaakknoppen die op hun beurt bestaan uit smaakcellen en steuncellen.

De smaakstoffen in ons eten zullen oplossen in ons speeksel. Dit speeksel komt in de groeven van onze tong terecht waar de smaakknoppen geprikkeld worden.
Dit gebeurt doordat de opgeloste smaakstoffen in contact komen met minuscule smaakhaartjes die verbonden zijn met de smaakcellen.

Door deze prikkel zal er een zenuwimpuls vertrekken naar de hersenen, waardoor we een smaak waarnemen.
de steuncellen zijn de cellen die verantwoordelijk zijn voor deze overdracht van informatie.

Elke smaakknop bevat smaakcellen die de verschillende smaken kunnen waarnemen. Door de grote hoeveelheid smaakcellen zijn we in staat om vele verschillende smaken waar te nemen.

Als zowel de smaak- als steuncellen gewerkt hebben, kunnen we echt spreken van iets te proeven.

Weetje:
Bij andere soorten zal het smaakvermogen anders werken.
Soms bevinden de zintuigen hiervoor zich op de poten van dieren (denk aan insecten die op bloemen landen, zoals de vlinder).